Lange tijd leek het of we de titel van de laatste plaat van The Ponys, Turn The Lights Out letterlijk moesten nemen. De plaat verscheen in 2007 en sindsdien was het akelig stil rondom een van mijn favoriete bands uit het vorige decennium. Ineens lijkt de band toch nog te leven. Niet voldoende om direct een hele plaat op te nemen, maar wel genoeg om een ep te vullen. Vijf nummers staan er op de Deathbed Plus 4 ep. Het laat weer een andere kant horen van The Ponys. De band wist in het verleden een meestelijke mix te vinden tussen garagerock en new wave en bracht met het reeds genoemde Turn The Lights Out een strakke, maar niet erg bijzondere rockplaat uit. Nu gaat het schemerlicht langzaam aan voor vijf trage nummers die vooral erg donker aanvoelen. Bas en drums spelen een voorname rol en geven de nummers een sinistere lading. Het smaakt in ieder geval naar meer. De plaat is in Nederland nog steeds niet verkrijgbaar, maar kan besteld worden op de site van Matador. Alleen in vinyl- en mp3-formaat. Ondertussen ga ik met zomerreces en kom ergens volgende maand weer terug.
Het blijft lekker vaag in het noorden. Zowel Adept als Bonne Aparte brachten in een niet zo ver verleden een ijzersterke debuutplaat uit een teisterden de podia met intense optredens. Beide bands kennen wat het personeelsbeleid betreft veel overlappingen met Michiel Klein als bindende factor. Of moet gezegd worden, ontbindende factor? Op het moment dat de bands veel waardering krijgen, wordt snel de stekker uit de projecten getrokken. Alsof men bang is succesvol te worden en consessies te moeten doen. Klein is met Eklin nu al weer een tijdje bezig. In een eerste verschijningsvorm was er vooral veel noise en drones te horen. Vervolgens worden een drummer en een zangeres toegevoegd aan Eklin en lijkt de band de definitieve vorm aangenomen te hebben. Op de vier nummers tellende ep Lydl/Tellet is de noise teruggedrongen tot behapbare porties en krijgt de muziek een zweverig en dromerig karakter. Eklin schijnt bezig te zijn met een full length, maar zoals eerder gezegd blijven de projecten van Klein omgeven door vaagheid en onduidelijkheid. De eerste boreling is in ieder geval ongrijpbaar en bezwerend.
Met veel genoegen wordt de stap van de Nieuwzeelandse punk uit de vorige recensie gemaakt naar death metal uit de lage landen. Hoewel punk mij vele malen meer aanspreekt dan metal, instrumentbeheersing is immers nergens goed voor, is brute metal altijd te prefereren boven wanstaltige formulepunk. Severe Torture laat in ieder geval horen dat er zonder ook maar een greintje innovatie of originele ideeën toch een prettige plaat kan worden afgeleverd. Het is old school death metal dat de klok slaat op Slaughtered en dat kan met een gerust hart overgelaten worden aan deze Nederlanders. Op de betere momenten doet Slaughtered denken aan de eerste platen van Cannibal Corpse. Kortom, dodelijke death metal. Licht ontvlambare riffs worden met eendimensionale grunts vermalen tot een pulpachtige substantie. Slaughtered klinkt alsof de laatste onschuldige maagden die te vinden waren eerst met hun gezicht in een verse hondendrol worden geduwd waarna ze van achteren op bloederige wijze worden onteerd. Een ritueel dat met intens plezier steeds dient te worden herhaald.
The Rabble is een punkband uit Nieuw-Zeeland. The Battle's Almost Over is het tweede album van de band. Geen nood, als u nog nooit van deze band gehoord heeft en toch het punkhart op de goede plaats heeft zitten. The Rabble heeft een album vol (16 nummers!) formulepunk opgenomen. Nou zijn 16 nummers op een punkplaat natuurlijk geen uitzondering, is dit aantal zelfs een aanrader als de nummers een lengte hebben die gemiddeld de twee minuten niet overscheiden. Zelfs The Rabble heeft nummers van die lengte, maar dat is meer uitzondering dan regel. Op The Battle's Almost Over staan namelijk meer nummers van vier of zelfs vijf minuten. Geheel ingevuld volgens het boekje waarin staat vermeld hoe een stomvervelende punkplaat op te nemen zonder een cliché over te slaan. Alleen het handjevol korte nummers is te pruimen op deze plaat, de rest is soms te genant voor woorden, met de standaard ballad als dieptepunt.
Na de geweldige debuutplaat Post-Nothing en de onlangs verschenen verzamelaar No Singles was het gisteravond tijd om Japandroids al die geweldige nummers live te zien en horen spelen. Het Canadese duo voldeed zonder moeite aan de verwachtingen. Live nog net iets rauwer en harder dan op beide platen. Wil ik me bij een duo dat op een podium staat nogal snel gaan vervelen, bij Japandroids was daar dankzij de dynamiek van zowel de zanger/gitarist en de zanger/drummer geen moment sprake van. Ze heten trouwens Brian en David. Dat bleef zanger/gitarist Brian herhalen tijdens het optreden. Weten we dat ook weer.
Er zijn van die platen die openenen direct met vuurwerk, stoken het vuurtje steeds hoger op en eindigen met een knal. Fang Island van Fang Island opent ook met vuurwerk. Letterlijk wel te verstaan en daarna brandt de band pas echt los. Openingsnummer Dreams Of Dreams is een korte aanloop en wat daarna komt zorgt voor een euforisch gevoel, knalt alle kanten op en doet verlangen naar de rest van de plaat. Die rest van de plaat brengt vervolgens meer van hetzelfde. Fang Island kent een paar leuke trucjes, trucjes die ook goed werken, maar om steeds dezelfde trucjes te moeten terughoren in ieder nummer getuigt toch van een gebrek aan goede ideeën. De drie gitaristen boksen tegen elkaar op en de spaarzame teksten worden vol bombast geschreeuwd. Nu duurt de plaat niet zo lang, na een dik half uur is het al weer gepiept en blijft er genoeg ruimte over om Daisy nogmaals de draaien. Het derde nummer van de plaat lijkt iedere keer beter te worden. Dit in tegenstelling tot het album van Fang Island. Fang Island kent veel losse flodders waar af en toe een voltreffer valt te noteren in de vorm van een duizendklapper als Daisy.
The Strange Boys is inderdaad een vreemd bandje. De bandleden, waaronder een vrouwelijke, komen vooral erg verlegen en stoned over. Voor de muziek geldt hetzelfde. Geen moment wordt er vol gas gegeven of vol vuur en passie gespeeld. Regelmatig kabbelt de gitaar lekker door, wel prettig met dit weer. Toch werkt het op een of andere vreemde manier wel. Lome rammelrock met blues- en indie-invloeden lopen in elkaar over en daarbij vooral doen alsof het je eigenlijk helemaal niets interesseert en nonchalant doorspelen. Bij nader inzien is dat eigenlijk helemaal niet zo vreemd.
Veel luisteren, maar er weinig over scrhijven. Volgens mij heb ik te maken met een fikse zomerdip in combinatie met het WK. Voorlopig worden daarom minder frequent de recensies gepost. Als pleister op de wonde de 20 meest beluisterde bands van de eerste 6 maanden van 2010.
01 Jay Reatard
02 The A-Bones
03 Captain Beefheart & His Magic Band
04 The Replacements
05 Wounded Lion
06 The Cramps
07 The Fall
08 Overnight Lows
09 Bettie Serveert
10 The Brian Jonestown Massacre
11 New Bomb Turks
12 Reigning Sound
13 Liars
14 Reatards
15 Creedence Clearwater Revival
16 Thee Oh Sees
17 Japandroids
18 Blacktop
19 Supercharger
20 Oblivians
Niet alleen met de bandnaam weet I Heart Hiroshima zich te onderscheiden. Het uit Australië (Brisbane) afkomstige trio weet zich ook op muzikaal gebied te onderscheiden van de grote hoop met indiebands. Een basgitaar wordt niet gebruikt, wel twee gitaren en drums. Daarnaast worden de vocalen afgewisseld en juist deze afwisseling is het sterkste punt van The Rip. Gitarist Matthew Somers heeft een prettige huilstem, bijna tegen emo aan. Let op, bijna dus. Achter de drums, al schijnt ze er tijdens optreden meestal op of naast te staan, zit Susie Patten en haar stem is een stuk zoeter, al weet ze ook venijnig uit de hoek te komen. De spanning tussen de twee vocalisten blijft de
hele plaat voelbaar. Links en rechts wordt I Heart Hiroshima vergeleken met Pavement, maar daar wordt vrijwel iedere indieband mee vergeleken die ook maar een beetje de kop boven het maaiveld uitsteekt. Mij doet de band meer denken aan Sunny Day Real Estate. Een band waarvan ik de laatste tijd toevallig de eerste twee albums regelmatig weer draai. The Rip is na enkele ep's de tweede volledige plaat van I Heart Hiroshima en geproduceerd door Andy Gill, gitarist van Gang Of Four.
Als het onderwerp richting progressieve muziek gaat, in alle mogelijke verschijningsvormen, haak ik vrijwel direct af. Dit gaf ik aan toen ik een mail van Kathaarsys kreeg met de vraag of ik iets wilde schrijven over de plaat Intuition. Eigenwijs als deze Spanjaarden zijn, trokken ze zich daar niets van aan en stuurden hun cd toch op. Enigszins schoorvoetend begon ik te luisteren naar Intuition. 'Progressief' dekt echter niet volledig de lading. Intuition is meer een jazzplaat geworden met regelmatige uitstapjes richting black metal en death metal. De plaat zet de luisteraar constant op het verkeerde been. Soms best vermoeiend, maar vooral erg verrassend. Subtiliteit en techniek staan lijnrecht tegenover agressie en lompheid. De basgitaar neemt een prominente plaats in op Intuition. Op de momenten dat de plaat alle kanten dreigt op de waaieren geeft de basgitaar de juiste richting aan en houdt het zooitje bij elkaar. Intuition is geen plaat die keer op keer gedraaid gaat worden, maar voor de nieuwsgierige luisteraar die consequent weigert in hokjes te denken is deze plaat wellicht een verademing.